Uitspraak in het Plat: /fəɾˈdvɔːln̩/
werkwoord
Afbreking: ver·dwa·len

Werkwoordvormen:

infinitief:
verdwalen
voltooid deelwoord:
verdwaalt
ik
du
he/se/dat
wi
ji
se
tegenwoordig:
ik verdwaal
du verdwaalst
he/se/dat verdwaalt
wi verdwaalt
ji verdwaalt
se verdwaalt
verleden:
ik verdwaal
du verdwaalst
he/se/dat verdwaal
wi verdwalen
ji verdwalen
se verdwalen
voltooid:
ik heff verdwaalt
du hest verdwaalt
he/se/dat hett verdwaalt
wi hebbt verdwaalt
ji hebbt verdwaalt
se hebbt verdwaalt
conjunctief:
ik verdwaal
du verdwaalst
he/se/dat verdwaal
wi verdwalen
ji verdwalen
se verdwalen
imperatief:
verdwaal!
verdwaalt!

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: ver- + dwalen