Speel­bank in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈspɛːlˌbank/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Speel·bank
Plural: Speel­ban­ken f de Speel­bank
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Speel + Bank