Schrap­pels in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃɾa·pəls/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schrap·pels
Plural: Schrap­pels n dat Schrap­pels
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: schrappen + -els