Storm­klock in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈstɔ͡ɐmˌklɔk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Storm·klock
Plural: Storm­klo­cken f de Storm­klock
[1]
perifere woordenschat
Synonyms:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Storm + Klock