Af­grund in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈafˌɡɾʊnt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Af·grund
Plural: Af­grünn m de Af­grund
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: af- + Grund