ö­ver­weg in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈøː·vɐˌvɛç/
bijwoord
Afbreking: ö·ver·weg
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
He sprüng över’n Tuun överweg.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: över + weg