weg in het Nedersaksisch

[1]
basiswoordenschat
actief
Nedersaksisch:
nich an de annahmen Steed
Nederlands:
=
weg
Engels:
=
away
Duits:
=
weg
Examples:
[1] Mien Fohrrad is weg! Dat hett een stahlen!
[2]
basiswoordenschat
actief
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:
=
weg
Examples:
[1] Gah weg!