Bett­deek in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɛtˌdɛːˑk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Bett·deek
Plural: Bett­de­ken f de Bett­deek
[1]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Bett + Deek