Bett­tüüg in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɛtˌtyːç/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Bett·tüüg
n dat Bett­tüüg
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: Bett + Tüüg