Be­del­staff in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɛː·dəlˌstaf/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Be·del·staff
Plural: Be­del­stääv m de Be­del­staff Mecklenburgisch
Plural: Be­del­sta­ven m de Be­del­staff
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: bedeln + Staff