Dan­se­ree in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈdan·sə·ɾɛɪ̯/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Dan·se·ree
f de Dan­se­ree
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
Examples:
De ganze Danseree maakt mi mööd.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: dansen + -er + -ee