Du­nen­bett in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈduːn̩ˌbɛt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Du·nen·bett
Plural: Du­nen­bed­den n dat Du­nen­bett
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Duun + Bett