Doorn­bu­sch in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈdɔu̯ɾnˌbʊʃ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Doorn·busch
Plural: Doorn­bü­sch m de Doorn­bu­sch Westfälisch
Plural: Doorn­bü­scher m de Doorn­bu­sch Mecklenburgisch
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Doorn + Busch