Fed­der­bu­sch in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈfɛ·dɐˌbʊʃ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Fed·der·busch
Plural: Fed­der­bü­sch m de Fed­der­bu­sch Westfälisch
Plural: Fed­der­bü­scher m de Fed­der­bu­sch Mecklenburgisch
[1]
perifere woordenschat
figuratiev
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Fedder + Busch