füür­root in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈfyː͡ɐˌɾɔu̯t/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: füür·root
geen trappen van vergelijking
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
De Heven weer füürroot.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Füür + root