Töp­pel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈtœ·pəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Töp·pel
Plural: Töp­pels
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:
[2]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Topp + -el