Hoot­töp­pel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhɔu̯tˌtœ·pəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Hoot·töp·pel
Plural: Hoot­töp­pels
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Hoot + Töppel