Pingstmarkt in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpɪnɡstˌma͡ɐkt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Pingst·markt
Plural: Pingstmarkt m de Pingstmarkt
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: pingst + Markt