Plink­oog in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈplɪnkˌɔˑu̯ç/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Plink·oog
Plural: Plink­o­gen n dat Plink­oog
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: plinken + Oog