plu­sig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpluː·zɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: plu·sig
plusiger plusigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: plusen + -ig