Rot­ten­fän­ger in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɾɔtn̩ˌfɛ·ŋɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Rot·ten·fän·ger
m de Rot­ten­fän­ger
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Rott + fangen + -er