Schin­ner in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃɪ·nɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schin·ner
Plural: Schin­ners m de Schin­ner
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: schinnen + -er