Vör­smack in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈføː͡ɐˌsmak/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Vör·smack
m de Vör­smack
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Utblick op den Smack von wat
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: vör + Smack