Vosskopp in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈfɔsˌkɔp/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Voss·kopp
Plural: Vossköpp m de Vosskopp
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
figuratiev
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Voss + Kopp