A­sch­dobb in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈaʃˌdɔp/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Asch·dobb
Plural: A­sch­dob­ben
[1]
perifere woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Asch + Dobb