Bull­schipp in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbʊlˌʃɪp/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Bull·schipp
Plural: Bull­scheep n dat Bull­schipp
[1]
perifere woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Bull + Schipp