Boom­sied in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɔu̯mˌziːˑ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Boom·sied
f de Boom­sied
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Boom + Sied