Hen­weg in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhɛnˌvɛç/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Hen·weg
Plural: Hen­weeg m de Hen­weg
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: hen + Weg