La­wei­ma­ker in het Nedersaksisch

Uitspraak: /laˈvaɪ̯ˌmɔː·kɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: La·wei·ma·ker
Plural: La­wei­ma­kers m de La­wei­ma­ker
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
[2]
perifere woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Lawei + Maker