wib­be­lig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvɪ·bə·lɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: wib·be·lig
wibbeliger wibbeligst
[1]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: wibbeln + -ig