her in het Nedersaksisch

[1]
basiswoordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits:
=
her
Examples:
[1] Kumm man ees her, denn wies ik di dat.
[2]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
kenntekent en Tiedruum vör de Nutied
Duits:
=
her
Examples:
[1] Dat is nu al twee Weken her.