Bahn­fe­ger in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɔːnˌfɛː·ɡɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Bahn·fe·ger
Plural: Bahn­fe­gers m de Bahn­fe­ger
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Bahn + fegen + -er