je­dereen in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈjɛː·dɐˌɛːn/
voornaamwoord
Afbreking: je·der·een
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: jeder + een