hib­be­lig in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈhɪ·bə·lɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: hib·be·lig
hibbeliger hibbeligst
[1]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: hibbeln + -ig