op­reegt in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɔpˌɾɛːçt/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: op·reegt
reger reegst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: opregen