Hon­nig­ko­ken in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhɔ·nɪçˌkɔu̯kn̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Hon·nig·ko·ken
Plural: Hon­nig­ko­kens m de Hon­nig­ko­ken
Plural: Hon­nig­ko­ken m de Hon­nig­ko­ken
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Honnig + Koken