Ko­ken in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkɔu̯kn̩/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ko·ken
Plural: Ko­kens m de Ko­ken
Plural: Ko­ken m de Ko­ken
Beeld, dat de onderbeduiding illustreerd
Oliver s., CC-BY-SA-3.0
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
sööt Gebäck
Engels:
=
cake
Duits:
=
Kuchen
[2]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
lütt sööt Gebäck
Engels:
Duits: