In­neh­mer in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ɪnˈnɛː·mɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: In·neh·mer
Plural: In­neh­mers m de In­neh­mer
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: innehmen + -er