Ge­bölk in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡɛˌbœlk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ge·bölk
Niet gebruikt het pluralis n dat Ge­bölk
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: ge- + bölken