Of­fzeer in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ɔfˈt͡sɛː͡ɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Of·fzeer
Plural: Of­fzeers m de Of­fzeer
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
hoograngig Suldaat
Nederlands:
Engels:
Duits: