Wust­pell in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvʊstˌpɛl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Wust·pell
Plural: Wust­pel­len f de Wust­pell
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: Wust + Pell