O­len­­de­ler in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɔu̯·lənˌdɛː·lɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: O·len·de·ler
Plural: O­len­­de­lers m de O­len­­de­ler
[1]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Olendeel + -er