Schan­du­del­kraam in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃan·duː·dəlˌkɾɔːm/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schan·du·del·kraam
m de Schan­du­del­kraam
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Schandudel + Kraam