School­johr in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃɔu̯lˌjɔː͡ɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: School·johr
Plural: School­joh­ren n dat School­johr Nordniedersächsisch
Plural: School­joh­re n dat School­johr
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: School + Johr