Rien­sloot in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɾiːnˌslɔu̯t/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Rien·sloot
Plural: Rien­slo­ten m de Rien­sloot
Plural: Rien­slööt m de Rien­sloot
[1]
perifere woordenschat

Etymologie:

Woord afleidt van: Sloot