Bost­kas­ten in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɔstˌkastn̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Bost·kas·ten
Plural: Bost­kas­tens m de Bost­kas­ten
[1]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Bost + Kasten