Kas­ten in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkastn̩/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kas·ten
Plural: Kas­tens m de Kas­ten
Beeld, dat de onderbeduiding illustreerd
User:MarkusHagenlocher, CC-BY-SA-3.0
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Kist
Duits:
=
Kasten
[2]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Noah sien Schipp
Engels:
ark
Duits:
Beeld, dat de onderbeduiding illustreerd
Michiel1972 at Dutch Wikipedia, CC-BY-SA-3.0
[3]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
=
Kasten
Beeld, dat de onderbeduiding illustreerd
Basvb, CC BY-SA 3.0 nl
[4]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Soort Laad
Nederlands:
Engels:
Duits: