Kau­ka­sus in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkaʊ̯·ka·sʊs/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kau·ka·sus
Niet gebruikt het pluralis m de Kau­ka­sus
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples: