bren­ne­rig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɾɛ·nə·ɾɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: bren·ne·rig
brenneriger brennerigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:
Examples:
Wat rückt dat hier denn so brennerig?

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: brennen + -ig