Flöt­ter in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈflœ·tɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Flöt·ter
Plural: Flöt­ters m de Flöt­ter
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
een, de Saken op en Flott transporteert
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Flott + -er